De brandstofprijzen zijn gestegen door de oorlog in het Midden-Oosten. Het kabinet heeft besloten vanaf 1 juli 2026 de motorrijtuigenbelasting (mrb) tijdelijk te verlagen. Deze maatregel geldt alleen voor bestelauto's met het ondernemerstarief en voor vrachtauto's.
Voor vrachtauto's met een toegestane maximale massa van 12.000 kilo of meer betaalt u € 0 (nihiltarief). Deze maatregel geldt van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027.
Voor vrachtauto's met een toegestane maximum massa lager dan 12.000 kilo geldt vanaf 1 juli 2026 sowieso het nihiltarief.
Vanaf wanneer geldt de tijdelijke verlaging?
U betaalt de mrb altijd over een tijdvak van 3 maanden. De tijdelijke verlaging geldt vanaf het 1e tijdvak dat op of na 1 juli 2026 begint.
Voorbeeld: stel, uw tijdvak loopt van 25 juni 2026 tot en met 24 september 2026. Over die periode geldt nog het normale tarief mrb. Vanaf 25 september 2026 betaalt u tijdelijk het lagere tarief of het nihiltarief. Want dan begint voor u het 1e tijdvak na 1 juli 2026. Ook voor het daaropvolgende tijdvak (van 25 december 2026 tot en met 24 maart 2027) betaalt u het lagere tarief of het nihiltarief.
Werknemers krijgen meer inzicht in de loonverschillen tussen mannen en vrouwen op hun eigen werkvloer. Ook moeten werkgevers straks een objectief systeem hebben voor het waarderen en indelen van de functies in hun organisatie. En er komt een verbod om in gesprekken over arbeidsvoorwaarden te vragen naar het laatstverdiende salaris. Minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dient vandaag een wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer dat dit regelt. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel op 1 januari 2027 in werking treedt.
Als het wetsvoorstel wordt aangenomen moeten bedrijven en organisaties met meer dan honderd werknemers regelmatig gaan rapporteren over het loonverschil in hun organisatie. Op een website van het ministerie kunnen werknemers deze informatie ook zelf opzoeken. Met deze gegevens kan er een vergelijking worden gemaakt tussen bedrijven of sectoren. Het kabinet wil het op deze manier makkelijker maken verschillen aan te kaarten en hier op de werkvloer een gesprek over te hebben.
Minister Vijlbrief: “Voor hetzelfde werk moeten mensen gewoon hetzelfde betaald krijgen. We zien echter nog steeds dat vrouwen minder verdienen dan mannen. En het lastige is: vaak weten mensen dat niet eens. Dan kan je er ook niet over in gesprek met jouw werkgever. Met dit wetsvoorstel willen we dat mannen én vrouwen inzicht krijgen in de wijze van belonen. Met die informatie kan er een open gesprek over worden gevoerd.”
Verschil in beloning
In 2024 verdienden vrouwen volgens het CBS in het bedrijfsleven gemiddeld 14,5 procent minder per uur dan mannen. Bij de overheid verdienden vrouwen gemiddeld 4,5 procent per uur minder. Een belangrijk deel van dit verschil valt te verklaren uit het feit dat vrouwen minder vaak een leidinggevende positie hebben, vaker werkzaam zijn in sectoren waar de lonen wat lager liggen of door verschillen in opleidingsniveau. Ook als hier rekening mee wordt gehouden blijft er een verschil in beloning voor hetzelfde werk. In het bedrijfsleven verdienen vrouwen gemiddeld per uur 6,1 procent minder voor hetzelfde werk, bij de overheid 1,7 procent. Het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen wordt de afgelopen jaren wel langzaam kleiner.
EU-richtlijn
Het wetsvoorstel volgt uit een Europese richtlijn. Deze verplicht lidstaten om maatregelen te nemen die zorgen voor openheid over beloning en die de rechtsbescherming van werknemers versterken. Met het wetsvoorstel ‘implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen’ wordt deze Europese richtlijn opgenomen in de Nederlandse wet.
Ondersteuning werkgevers
Het ministerie van SZW werkt samen met onder andere vakbonden en werkgeversorganisaties aan voorlichting en hulpmiddelen voor werkgevers. Hiermee ondersteunt zij werkgevers om aan de nieuwe verplichtingen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt in de verdere uitwerking gezocht naar mogelijkheden om de administratieve lasten in de uitvoering zoveel mogelijk te beperken. Bijvoorbeeld door voor het opstellen van de rapportage zoveel mogelijk aan te sluiten bij gegevens die al beschikbaar zijn in de salarisadministratie en in de belastingaangifte.
Inwerkingtreding
Het wetsvoorstel gaat nu naar de Tweede Kamer. Als na de Tweede ook de eerste Kamer instemt kan het per 1 januari 2027 in werking treden. De eerste groep werkgevers - bedrijven en organisaties met ten minste 150 werknemers - moet dan uiterlijk 7 juni 2028 rapporteren over de loonverschillen in het kalenderjaar 2027. Werkgevers vanaf 100 tot 150 werknemers volgen in 2031 over de verschillen in 2030.
Innovatieve technologieën maken Nederland veilig, gezond en economisch sterker. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) stimuleert daarom kleine en grote ondernemers via de innovatieregeling WBSO om hierin te investeren. In 2025 werd het record aan projecten van € 8,7 miljard geëvenaard. Dat staat in het jaarverslag dat minister Heleen Herbert (EZK) heeft gepubliceerd.
Elke ondernemer kan met de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) loonkosten en andere uitgaven voor het doen van onderzoek en ontwikkeling (R&D) verlagen. Bijna 19.000 bedrijven maakten in 2025 gebruik van de WBSO, 97% van hen komen uit het mkb: beide hoeveelheden zijn gelijk aan 2024. Het bedrag aan innovatieprojecten (€8,7 miljard) is hoger dan in 2024 (€ 8,36 miljard).
Minister Heleen Herbert (EZK): “Innovatie is nodig. Natuurlijk voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen zoals zorg, verduurzaming en digitalisering. Maar ook om onze technologische afhankelijkheden te verminderen en om de sterk toegenomen internationale concurrentie aan te gaan. Ondanks economische uitdagingen blijven ondernemers hierin investeren, maar dit gebeurt nog niet voldoende. Vooral de private investeringen blijven in Nederland en Europa achter. Het kabinet laat daarom in 2026 het budget van de WBSO-regeling opnieuw groeien om bedrijven te stimuleren om zelf meer te innoveren.”
Investeringen in innovaties Nationale Technologiestrategie nemen toe
Het kabinet heeft sinds begin 2024 een Nationale Technologiestrategie. Ondernemers zijn het afgelopen jaar met gebruik van de WBSO-regeling weer meer in daaraan gerelateerde innovaties gaan investeren. Het gaat om bijvoorbeeld quantumtechnologie, cybersecurity, kunstmatige intelligentie (AI), slimme machines & systemen (mechatronica) en schone energiebronnen- en opslag. Koplopers zijn AI (+29%) en cybersecurity (+13%).
Het werk waar de bedrijven de WBSO-regeling voor hebben ingezet omvat ruim 90.000 toegekende arbeidsjaren. De meeste bedrijven zijn gevestigd in de regio’s Groot-Amsterdam, het zuidoostelijke deel van Noord-Brabant en Utrecht.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de WBSO-regeling uit namens het ministerie van EZK. Praktijkvoorbeelden en informatie zijn te vinden in het WBSO-jaarverslag. Het kabinet heeft op Prinsjesdag besloten om het budget van de WBSO voor dit jaar (2026) verder te laten stijgen naar € 1,8 miljard (was € 1,6 miljard).
De overstap naar duurzame energie blijft financieel haalbaar voor Nederland. De kosten en opbrengsten verschillen wel sterk tussen huishoudens, bedrijven en overheid. Daarom zijn duidelijke keuzes nodig over de verdeling hiervan. En over beleid en investeringen. Dat blijkt uit onderzoek waaraan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) meewerkte.
Eerste overzicht van kosten van de energietransitie
Het rapport brengt voor het eerst bestaande kennis samen over de kosten van de energietransitie. Denk aan:
systeemkosten (alle kosten om energie te produceren, vervoeren, op te slaan en gebruiken);
investeringen (bijvoorbeeld in het elektriciteitsnet en wind- en zonne-energie);
effecten op de economie;
verschillen in kosten en opbrengsten voor huishoudens, bedrijven en overheid.
Door deze kennis samen te brengen, ontstaat een beter en duidelijk beeld van de gevolgen van de energietransitie voor de economie in Nederland.
Grote investeringen nodig
Volgens het rapport verandert het energiesysteem de komende jaren sterk. Nederland gaat meer elektriciteit gebruiken en wordt minder afhankelijk van fossiele energie uit het buitenland. Daarvoor zijn grote investeringen nodig in onder meer elektriciteitsnetten, warmtepompen, duurzame energie en elektrisch vervoer. Tussen 2019 en 2023 groeiden de investeringen hierin al met ongeveer 60%. De totale systeemkosten stijgen beperkt.
Kosten veranderen
Een belangrijk inzicht is dat de kosten veranderen. Nu bestaan ze vooral uit brandstofkosten. In de toekomst bestaat een groter deel uit investeringen in bijvoorbeeld infrastructuur (zoals elektriciteitsnetten en kabels) en flexibiliteit (zoals energieopslag en het beter afstemmen van vraag en aanbod van energie). Ook wordt er meer geïnvesteerd in de opwek en het eindgebruik van energie.
Gevolgen voor huishoudens en bedrijven
Huishoudens en bedrijven die verduurzaming kunnen betalen, hebben uiteindelijk vaker lagere energiekosten. Wie die mogelijkheden niet heeft, betaalt juist meer. Bij huishoudens spelen bijvoorbeeld woningtype, vervoer en energieverbruik een rol. Ook bedrijven verschillen sterk. Sectoren die veel energie nodig hebben (zoals chemie en staal) krijgen vaker te maken met hogere kosten en concurrentiedruk. Het productieproces en de mogelijkheden om over te stappen naar elektriciteit bepalen ook hoe kosten en investeringen uitpakken voor bedrijven.
Meer kennis nodig
Het rapport laat zien waar nog kennis ontbreekt. Deze kennis helpt overheid, bedrijven en huishoudens om betere keuzes te maken over het toekomstige energiesysteem. Het gaat bijvoorbeeld om verschillen in kosten en opbrengsten, economische effecten op de lange termijn en de verdeling van investeringen.
Lees het onderzoek
Wilt u alle resultaten van het onderzoek lezen? Bekijk dan het volledige rapport 'Kosten van de energietransitie' op energy.nl.
Werknemers met een flexibel arbeidscontract krijgen meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd. De Tweede Kamer heeft vandaag het wetsvoorstel dat dit regelt van minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangenomen. Nederland telt met afstand de meeste mensen met een flexcontract van de hele EU: 2,7 miljoen mensen. Dat zijn er bijna 3 op de 10. Er komen daarom strengere regels om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen. En oproepcontracten worden vervangen door contracten met een minimumaantal uren dat je standaard wordt betaald en ingeroosterd. Als ook de Eerste Kamer instemt kan het wetsvoorstel per 1 januari 2028 in werking treden.
Minister Hans Vijlbrief: “Met dit wetsvoorstel krijgen mensen meer zekerheid over hoeveel uren ze werken en hoe hoog hun inkomen is. Als je dat weet kan je plannen maken voor de toekomst. En die zekerheid biedt ook ruimte voor scholing en ontwikkeling, wat goed is voor de werknemer en de werkgever. Dit wetsvoorstel heeft de steun van zowel de vakbonden als de werkgevers, en ik ben heel blij dat nu ook een grote meerderheid in de Kamer het steunt. Ik ga de Eerste Kamer vragen dit wetsvoorstel snel op de agenda te zetten, zodat we snel aan de slag kunnen.”
Draaideurconstructies
Met deze nieuwe wet wordt het uitgangspunt dat tijdelijke contracten alleen bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Na een tijdelijk contract moeten werknemers sneller een vast dienstverband krijgen en mogen zij niet meer na 6 maanden opnieuw een tijdelijk contract krijgen.
Oproepcontracten
In plaats van de nulurencontracten komt er een bandbreedtecontract. Daarin wordt er een minimum- en een maximumaantal uren afgesproken, waarbij het verschil maximaal 130% is. Dit betekent dat bij een minimum van 10 uur het maximum 13 uur is. Oproepen die boven het maximum zitten mogen door de werknemer geweigerd worden. En als er structureel meer wordt gewerkt moet er een contract worden aangeboden met een hoger aantal uren.
Uitzendkrachten
Mensen die werken via een uitzendbureau moeten minimaal gelijkwaardige arbeidvoorwaarden krijgen als mensen die regulier in dienst zijn. Dit volgde voor beloning al uit een uitspraak van het Europees Hof van Justitie, en wordt nu voor alle arbeidsvoorwaarden vastgelegd in de Nederlandse wet. Ook worden de fases van uitzendwerk waarin je elke dag kan worden ontslagen of niet weet hoeveel uren je kan werken verkort van anderhalf jaar naar 1 jaar. Op die manier zorgt het wetsvoorstel voor meer zekerheid voor uitzendkrachten.
Aanpassingen door de Tweede Kamer
De Tweede Kamer heeft enkele aanpassingen gemaakt in de wet. Zo mag er na 3 tijdelijke contracten 3 jaar lang geen tijdelijk contract meer worden afgesloten. In het eerdere wetsvoorstel was dit nog 5 jaar. Ook mogen AOW-gerechtigden straks nog wel op een oproepcontract werken. De wet kende deze uitzondering al voor jongeren, scholieren en studenten met bijbanen. En tot slot krijgt de minister de mogelijkheid om in te grijpen als er sprake van structurele onderbetaling in de uitzendsector.
Arbeidsmarktpakket
Samen met enkele andere wetsvoorstellen vormt dit voorstel een hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt die moet zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers. Het is het eerste grote wetsvoorstel van het arbeidsmarktpakket dat is aangenomen. Deze wetsvoorstellen vloeien voort uit afspraken die het kabinet in 2023 heeft gemaakt met vakbonden en werkgevers en zijn gebaseerd op het rapport van de commissie Borstlap uit 2020 en het SER-advies uit 2021.